Wij zijn niet bang

de heimelijke kwetsbaarheid van de psychotherapeut

Willem Heuves

Iedereen weet het al: de corona pandemie heeft een enorme inbreuk gemaakt op de ambulante psychotherapiepraktijk. De ontregeling is enorm en door het sociale isolement staat de psychotherapeut er meer dan ooit alleen voor. Behandelingen en collegiaal overleg worden via virtuele platforms voortgezet. Natuurlijk mist iedereen de face-to-face gesprekken. Zowel de patiënten als de therapeuten. En niet alleen het face-to-face contact, maar ook de therapiekamer, de vertrouwde omgeving, de reis ernaar toe, de mijmeringen na de sessie op weg naar huis. Ook bij de patiënten leeft er grote zorg over het welzijn van hun therapeut. Blijft hij/zij wel gezond? Bij veel patiënten leeft ook de angst om een bron van besmetting te zijn voor de therapeut.
Ondanks het grote belang van face-to-face contacten roept de aanbeveling van de LVVP en NIP om de behandelingen weer face-to-face te laten plaatsvinden waar dat kan, net zoals de mededeling van GGZ Nederland, dat groepstherapie weer kan worden opgestart ook vragen op.

Op grond van mijn ervaring als supervisor, opleider en leertherapeut zijn er bij het standpunt van deze beroepsverenigingen kritische kanttekeningen te plaatsen. In veel praktijken zijn face-to-face contacten binnen de RIVM richtlijnen moeilijk te realiseren. Wachtkamers, die te klein zijn, doorloopruimtes die te smal zijn, toiletten die worden gedeeld worden als bron van besmetting gemakkelijk onderschat. Ook hebben praktijkhouders (van zowel grote als kleine praktijken) vaak onvoldoende zicht op het handhaven van de regels en ook niet de tijd en de mogelijkheden om de hygiënische maatregelen naar behoren uit te voeren. Het weer mogelijk maken van face-to-face behandelingen legt dus veel extra werkdruk op de behandelaars en praktijkhouders. Maar er zijn ook de patiënten, die heel slordig om gaan met de richtlijnen; die toch naar de praktijk komen als ze verkouden zijn of keelpijn hebben. Vaak samenhangend met hun persoonlijkheidsproblematiek zijn er patiënten, die de corona crisis bagatelliseren, zich gekleineerd en ingeperkt voelen door de RIVM maatregelen en zich daar dus ook niet of onvoldoende aan houden. In het bijzonder geldt dit voor veel adolescenten en jongvolwassenen, die de maatregelen moeilijk kunnen accepteren en dus ook niet naleven, maar wel zeggen, dat ze het doen. De instructie van de therapeut om hun eigen gezondheid te monitoren en ernaar te handelen (bijvoorbeeld niet naar de praktijk komen als je symptomen hebt) wordt wel begrepen, maar vaak niet nageleefd. Onkwetsbaarheidswaan bestaat echt.

Naast deze praktische bedenkingen tegen voortijdig starten van face-to-face behandelingen, lijkt het ook belangrijk om stil te staan bij de psychische gevolgen van de coronacrisis voor de psychotherapeut. In de discussie op de diverse platforms staan de belangen en de noden van de patiënt centraal en wordt er opvallend weinig gesproken over de kwetsbaarheid en angst van de psychotherapeut. Psychotherapeuten vormen een kwetsbare groep, die zichzelf in de uitoefening van hun werk dient te beschermen.

In de supervisies en (leer-) therapieën van collega’s is dat goed voelbaar. De ‘onzichtbare vijand’ draagt bij aan een permanent gevoel van bedreiging, niet alleen bij de patiënt, maar ook bij de therapeut, die ook nog eens wordt versterkt door het sociale isolement zowel privé als in het werk. Veel collega’s merken hoe vermoeiend het (beeld)bellen is, mede door de extra mentale inzet, die nodig is om de behandelingen te continueren en diepgang te geven. Daarnaast zijn er natuurlijk de zorgen over het uitblijven van nieuwe verwijzingen en de complicaties van online-intakes.
Het wegvallen van het vertrouwde, de ontheemding in de setting treft niet alleen de patiënt, maar de psychotherapeut net zo goed. Zowel in de telefonische als beeldbelsessies wordt de behandelrelatie ogenschijnlijk voortgezet: je kan elkaar horen en zien. Virtueel behandelen kan wel, want de therapeutische relatie is – op de keper beschouwd – vooral een mentale toestand van therapeut en patiënt. Als de therapeut dan ook nog in zijn vertrouwde stoel zit kan het lijken alsof de vertrouwde therapeutische relatie er nog steeds is. Er wordt echter veel gemist, met name de intimiteit en de vertrouwde beslotenheid van de setting. Op deze manier behandelen is nieuw en bevreemdend. Dat is eigenlijk al ingewikkeld genoeg. Freud noemde dat het angstaanjagende kenmerk van ‘das Unheimliche’: het ziet er vertrouwd uit; het lijkt echt, maar het is het (net) niet.

In de coronacrisis worden psychotherapeuten ook nog op een andere wijze op de proef gesteld. Psychotherapeuten zijn goed opgeleid om de angsten en bezorgdheden van de patiënt te begrijpen. De bedreiging door de ‘onzichtbare vijand’ staat vaak centraal in de zitting. In deze coronacrisis doen psychotherapeuten dan ook extra hun best om steun en ‘holding’ te bieden. Deze dreiging treft echter niet alleen de patiënt, maar ook de psychotherapeut. De ouder-kind relatie is vermoedelijk de meest bekende metafoor voor de therapeutische relatie, waarin het de ouder is, die het angstige kind holding en containment biedt. Maar wat als de realiteit van die ouder ook bedreigd is? Op welke wijze kan dit in de therapeutische relatie worden gecommuniceerd? De coronacrisis raakt ook bij psychotherapeuten een apocalyptische onderlaag en schept een sfeer van machteloosheid en bedreiging. De loochening van de eigen kwetsbaarheid in een situatie waarin ook de patiënt weet dat de therapeut kwetsbaar is, maakt de setting ongeloofwaardig en onecht. De patiënt is niet de enige die zich bedreigd voelt en ontregeld is. Nog nooit heb ik mijn collega’s zoveel grappen horen en zien maken over corona. Ook psychotherapeuten stralen onkwetsbaarheidswaan uit. Patiënten registreren die ontregeling en vage bedreiging bij hun behandelaren heel goed en het lijkt mij voor de behandeling belangrijk om die op adequate wijze met elkaar te delen en bespreekbaar te maken. De behandelaar die voorwendt, die kwetsbaarheid niet te voelen doet nogal wat afbreuk aan zijn/haar eigen integriteit. Is de onverstoorbare psychotherapeut, die binnen de richtlijnen van de RIVM zijn patiënten weer face-to-face gaat zien en de groepstherapie gaat opstarten nog wel geloofwaardig?
Het lijkt op heel hard fluiten in een donker bos en zachtjes zingen: we zijn niet bang.

Meer berichten uit de spreekkamer