Tranen

Ruth Feigenbaum, psychoanalytisch psychotherapeut

Ik hoor mijn supervisor nog verzuchten dat hij mij ook ‘gewone’ patiënten toewenste. Daarmee bedoelde hij patiënten die niet getraumatiseerd waren door de oorlog. Want mijn eigen praktijk begon met alleen maar oorlogsgetroffenen uit WO II en hun kinderen, de tweede generatie, zowel uit voormalig Nederlands Indië als Europa.

Mijn eerste psychoanalytische psychotherapie onder supervisie, van tweemaal per week, had zeven jaar geduurd en het was enkele weken voordat we daadwerkelijk zouden gaan afsluiten. De volwassen man die tegenover mij zat, was als Joodse jongen van bijna zes jaar in WO II meegegeven aan iemand van het verzet, die was gekomen voor de pasgeboren baby van de bovenburen. Op het laatste moment konden de bovenburen echter geen afstand doen van hun baby en in plaats daarvan gaven de ouders van mijn patiënt hun enige zoon mee in de hoop hem veilig te stellen.

De kinderloze pleegmoeder, die een baby had gewenst, wilde hem aanvankelijk niet opnemen. Toch bleef hij na een kort verblijf elders uiteindelijk de hele oorlog en ook daarna bij hen.

Bij aanvang van de therapie was patiënt zich er in toenemende mate van bewust dat hij gewone problemen in zijn relaties en gezin niet kon oplossen, waarbij hij klaagde over een algehele gevoelsarmoede. Er bleek sprake van forse rigide afweren, die de functie hadden de lijdensdruk te loochenen. Bij emotionele ontladingen, haastte hij zich om direct te bagatelliseren en op te merken dat hij zich niet wilde aanstellen.

Bovendien was er een totale amnesie van voor het moment dat hij was ‘weggegeven’. Geen herinneringen aan het leven van daarvoor noch aan zijn ouders. Langzaamaan echter kwamen, woordeloos aanvankelijk, beelden en gevoelens terug. Eerst van zijn nichtje met wie hij vaak speelde, later ook van zijn ouders. Hij was tijdens de therapie regelmatig een klein jongetje geweest dat hartverscheurend verdriet had geuit over zijn afwezige, vermoorde ouders.

Hij was de wachtkamer uitgekomen met een groot pak in zijn armen en ik had kennelijk verbaasd gekeken, want hij had direct gezegd: ‘Dit is voor jou, maar ik draag het even naar binnen en ga me nu niet vertellen dat we dit eerst moeten bespreken, want dat doen we niet. Jij moet dit nu eerst uitpakken en daarna gaan we er ongetwijfeld over praten.’

Hoewel ik op de hoogte was van het feit dat hij gedurende de therapie bezig was gegaan met genealogie en we hier regelmatig over hadden gesproken, was ik toch niet voorbereid op wat mij in de schoot werd geworpen.

De inleiding van het boekwerk dat ik uitpakte, vormde het verhaal over zijn zoektocht naar de beelden en gevoelens die hij voor de therapie zo had verdrongen, maar ook zo had gemist en vervolgens kwam een familie tot leven. Zijn familie.

Terwijl ik bladerde, stukjes las en foto’s bekeek, begonnen tranen over mijn wangen te lopen. Het was geen kwestie van slikken en hopen dat mijn patiënt het niet zou merken. Ik kon niet anders dan in praktijk brengen wat we zo vaak hadden besproken en de gevoelens erkennen die ik had. Ik was diep ontroerd.

Het was een prachtig monument voor zijn familie. Een mooier cadeau aan het einde van zijn intensieve inzichtgevende therapie had hij zichzelf, en ook mij, niet kunnen geven, maar ik was niet blij met mijn tranen.

Toch hebben die tranen van zo lang geleden mij enorm veel geleerd, vooral omdat mijn patiënt tijdens de laatste sessie zei: ‘Weet je, pas toen ik jouw tranen zag, toen ik je mijn boek gaf, realiseerde ik me opnieuw, maar nu anders dan daarvoor, hoe waardevol mijn zoektocht naar mijn familie is geweest. Ik ben nog steeds een OPK (oorlogspleegkind), maar nu met een geschiedenis, een achtergrond, familie. Ik ben minder alleen.’

In de loop van lange jaren als psychoanalytisch psychotherapeut zijn alle (tegenoverdrachts)gevoelens van de regenboog evenals vele ‘gewone’ patiënten langs gekomen. We delen die (tegen)overdrachtsgevoelens met onze patiënt als we dat zinvol achten en soms, zoals bij mijn tranen van hierboven, kun je niet anders. Onze tranen, lach of boosheid kunnen ons en onze patiënten iets tonen wat mogelijk eerder niet binnen bereik was.

We leren van onze patiënten en dat houdt gelukkig nooit op.

 

© Ruth Feigenbaum,

Den Haag 2019

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Meer berichten uit de spreekkamer