Schuilplaats

Ben Jonkers, klinisch psycholoog / psychoanalytisch psychotherapeut

Het miezert buiten. Waterig hangt de mist tussen de kale takken. In de verte klinkt het optrekken van een stadsbus.

Schuin tegenover me zit een man. Het eerste kwartier heeft hij veel gesproken. Woedend was hij vanochtend binnengekomen. Hij had verteld over zijn baas. De vele frustraties van de afgelopen werkweek. De managers die er niks van snapten. Het niet gezien worden. Rustig had ik een verbinding met zijn vader gelegd.

Nu is hij in diepe gedachten verzonken. Een rimpel heeft zich boven zijn neus gevormd. Ik laat de stilte de stilte. Mijn ogen dwalen af naar zijn schoenen. De veters zijn slordig bij elkaar gebonden, zoals bij een scholier. Verder zit hij keurig in pak. Zoals altijd. Hij komt hier nu ruim een jaar. Twee keer per week.

Buiten is het harder gaan regenen. Dikke druppels slaan tegen de ramen. Ik geniet van het geluid. En van de veiligheid van het beslotene. Het doet me denken aan toen ik klein was. Als het onweerde mocht ik aan het begin van de avond in het grote bed van mijn ouders slapen. Reusachtige dikke dekens. Mij kon niks overkomen.

De man zwijgt nog steeds. De rimpel boven zijn neus is echter verdwenen. Er hangt inmiddels een soort van ontspanning over zijn gelaat. Het denken lijkt plaats te hebben gemaakt voor gevoel. Op zijn schoenen vallen me een paar modderspatjes op. Om zijn rechterbroekspijp zit een metalen klem. Zoals altijd. Twee keer per week.

Ik kijk mijn spreekkamer rond. De zacht-rode vloerbedekking. Het antieke zwarte bureau. De reproductie van Saenredam. De schilder van de ruimte. Zoals altijd blijven mijn ogen rusten op mijn boekenkast. Naast de vakliteratuur ook enkele dichtbundels. Poëzie gebruik ik tussen de zittingen door om zelf naar binnen te keren. Internet en e-mails vormen de dreigende en afleidende buitenwereld.

Zachtjes, maar toch duidelijk, begint de man weer te vertellen. Over zijn vader. Zijn haat. Zijn verlangens. Het gevoelde onbegrip. De gemiste kansen. En vooral over de schaamte. De altijd weggestopte gevoelens. Dat wat niet gevoeld mocht worden. De loden last van het geweten. Ik zie aan zijn gezicht dat het vertellen hem oplucht. Hoe anders was dat enkele maanden geleden. Met in elkaar geschoven armen kruislings voor zijn brede borst zat hij me nors aan te kijken. Hem zouden ze niet raken. Twee keer per week had hij veel gevonden. Toch stemde hij uiteindelijk toe.

Mijn kamer bevindt zich in een oud pand, gebouwd aan het begin van de vorige eeuw. Hoge plafonds met ornamenten, hoge gebrandschilderde ramen, enkele Jugendstil elementen. Het geeft de ruimte iets tijdloos. Het is nu, maar het had ook veertig jaar geleden kunnen zijn. Of nog vroeger. De bomen buiten hebben de roerige jaren zestig meegemaakt. De ramen hebben de oorlogsjaren gezien.

Uit zijn grote ogen komen nauwelijks zichtbare tranen. Kleine spatjes. Ik voel mededogen. Hij stopt met praten en kijkt me even aan. Mannen onder elkaar. Ik moet denken aan mijn eigen vader. Onze ogen blijven op elkaar rusten. Ook dit durfde hij een tijd geleden niet. Voortdurend schoten zijn ogen alle kanten op. Pure angst. En schaamte.

Hij zucht en glimlacht voorzichtig naar me. Pas dan dwalen zijn ogen weer af. Wederom naar binnen gericht. Ergens naar een punt in de tijdloze ruimte.

Buiten regent het nog steeds. Het is gaan waaien. De takken zwiepen voor mijn ramen heen en weer. Af en toe het geluid van voorbijgaande auto’s in de verte.

 

Meer berichten uit de spreekkamer