Categorie archief: spreekkamer

Uit welke spreekkamer?!

Dorien Philipszoon, psychiater en psychoanalytisch psychotherapeut

Als psychiater, psychoanalytisch psychotherapeut en supervisor werk ik in verschillende spreekkamers. Twee vaste spreekkamers en meerdere wisselende ruimtes. Op al die plekken is voor mij hetzelfde belangrijk. Ik moet me er namelijk zelf prettig genoeg voelen om mijn werk goed te kunnen doen en zo voldoende holding en veiligheid aan mijn patiënten en supervisandi te kunnen bieden. Voor mij houdt dit heel concreet in dat ik het liefst werk in een lichte persoonlijke spreekkamer met warme kleuren, schilderijen, planten en liefst bloemen. Dit klinkt voor u waarschijnlijk als een open, logische deur, want iedereen werkt toch het best in een prettige op zijn/haar persoon afgestemde kamer? In GGZ-instellingen wordt het echter steeds gewoner om regelmatig te verhuizen van plek of om geen vaste kamer te hebben. Dit maakt ons werk mijns inziens moeilijker uitvoerbaar, namelijk moeilijker om jezelf prettig genoeg te voelen.

Maar hoezo moet je jezelf prettig voelen, waarom is dat zo belangrijk?

Ik kom via een omweg bij deze vraag. Eerst dit: wat doe ik eigenlijk in mijn spreekkamers? Luisteren, praten, etcetera. Maar volgens mij is het meest specifieke wat ik doe mentaliseren, steeds opnieuw. Mentaliseren over mijn patiënte, die zichzelf weer in een onmogelijke afhankelijke situatie gebracht heeft, waaraan ik me erger, maar dan realiseer ik mijn ergernis, waarover ik reflecteer en dan ga ik samen met haar nadenken over wat er aan de hand zou kunnen zijn. Of reflecteren over mijn supervisand, die angstig is over zijn patiënt, die in allemaal sloten tegelijk aan het lopen is. Ik raak ook even de weg kwijt, word een beetje angstig van de hele situatie en wil het liefst net als mijn supervisand alles snel oplossen. Ik merk dit bij mijzelf, deel dit gevoel met mijn supervisand, hij herkent hetzelfde gevoel bij hem en samen reflecteren we over onze gevoelens en over zijn patiënt. Of mentaliseren over een groepsproces in mijn team, waarin we ernstige borderline patiënten behandelen. Regelmatig spelen in ons team heftige gevoelens, parallel aan de processen, die in de groepspsychotherapie spelen. Ook hier raken we regelmatig ons mentaliserend vermogen even kwijt, één van ons realiseert zich dat en dan reflecteren we er samen over.

Om steeds opnieuw te kunnen mentaliseren ofwel reflecteren ofwel met gevoel nadenken, moet je zelf goed genoeg in je vel zitten. Moet je jezelf prettig genoeg voelen, wat natuurlijk van meerdere factoren afhankelijk is. Een goede persoonlijke spreekkamer helpt hierbij en is voor mij onontbeerlijk!

Met stomheid geslagen…

Hans Wiersema, klinisch psycholoog, psychoanalytisch psychotherapeut

Vorig jaar meldde zich een 35 jarige juriste, gehuwd, moeder van twee kleuters en een lagere schoolkind, met chronische somberheidsklachten, het gevoel op alle fronten te kort te schieten, zeker als moeder. Verder zat ze met onverwerkte rouw over de dood van haar vader 2 ½ jaar geleden en met onvrede over haar relatie en haar werk. Eerdere pogingen om in therapie te gaan had ze beide keren na twee sessies afgebroken.

In de eerste twee intakesessies gaf ze een helder verslag van haar problemen en haar gezinsachtergrond, maar ik merkte achteraf dat ik tegen mijn gewoonte in naar geen enkel gevoel of emotionele wisselwerking had doorgevraagd. Dus bereidde ik me voor de derde intakezitting grondig voor, las al mijn aantekeningen door en schreef op wat ik wel snapte, maar wat niet voor me was gaan leven.

Maar meteen in die sessie overviel mij een overweldigend gevoel van stomheid. Ondanks de notities die ik voor me had liggen kon ik niets meer herinneren wat ik had willen doorvragen. Ik voelde me ridicuul en kwam in de verleiding om haar naar huis te sturen met een smoes dat ik door de griep niet helder kon denken, wat nog deels waar was ook. Maar dan zou ik meedoen in het vermijden van echt contact. Als ik dat niet wilde zat er maar één ding op: Openlijk er voor uitkomen hoe stom ik mij voelde dat ik niets meer wist om door te vragen en hoe onmachtig om haar te bereiken, ondanks mijn zorgvuldige voorbereiding van dit gesprek.

Met kloppend hart besloot ik om het toch maar te doen. Dit was niet bepaald wat ik mij destijds voorgesteld had toen ik had gelezen dat je  self-disclosure alleen zeer gedoseerd en in het belang van de patiënt mocht toepassen. Hier viel niets meer te doseren, zo overweldigend was het gevoel.

Prompt antwoordde ze tot mijn verbazing: “Ik durf me niet open te stellen en ben daarom ook afgehaakt bij de vorige therapeuten. Ik voel al twee dagen tegenzin tegen dit gesprek en wilde het afzeggen,  want ik had het gevoel dat ik helemaal niets te zeggen had. Je zou alleen maar ontdekken dat ik een slecht en stom persoon ben.”

We schoten allebei in de lach en ik zei: “Hetzelfde gevoel dus als ik daarnet over mezelf liet zien”.

En toen ze dat beaamde vulde ik aan: “Dat voelt als de diepste waarheid over je zelf, maar tegelijkertijd is er een deel van je dat hulp zoekt om van dat gevoel af te komen. Maar je schaamte is zo groot, dat je dit gevoel niet wilt laten zien, uit angst dat de ander ook zou ontdekken dat dit de diepste waarheid over jezelf zou zijn. Ik merk dat het deel van je dat hulp zoekt me ontroert. En dat is het deel van je waarmee ik kan samenwerken om het gevoel een slecht en stom persoon te zijn te overwinnen”.

We beseften beiden dat ze niet overtuigender op mij had kunnen overbrengen hoe stom zij zich voelde. En omdat ik mijn eigen intense gevoel van domheid en machteloosheid had opgebiecht, was haar nog onuitgesproken overtuiging dat ik wel op haar zou neerkijken ontkracht. Overigens zonder dat dit een bewuste strategie van mij was geweest. Ik had gewoon geen andere manier gezien om contact te maken.

Toen dit eenmaal gebeurd was kreeg ik ook weer ruimte om na te denken en besefte ik hoe sterk mijn projectieve identificatie met haar negatieve zelfbeeld was geweest. Het speelde zich echt allemaal in mij af. En tegelijk was het iets dat woordloos tussen ons was gebeurd.

Voor haar was dit gebeuren de reden om ditmaal de therapie niet na twee zittingen af te breken, maar er op te vertrouwen dat ze niet op haar domheid betrapt maar er in herkend zou worden.

Bevrijd van deze negatieve overdracht kon ze me als een bondgenoot ervaren, die ze deelgenoot kon maken van haar schaamte en zelfverachting.

Dat bleek al meteen het volgende moment, toen ze uit zichzelf opbiechtte dat ze vorige keer bij de vraag naar verslavingen uit schaamte verzuimd had te vermelden dat ze vanaf haar 13e wekelijks een joint gerookt had en tijdens haar studie tussen 20 en 25 jaar zelfs twee per dag. – “Om de pijn te verdoven?” –  “ Ja.”

In de therapie die hierop volgde konden haar identificatie met haar domme, rigide en agorafobische moeder, haar vergeefse hunkering naar erkenning door haar kortaangebonden vader, haar pijnlijke zelfverwijt niet genoeg van haar kinderen te houden en daardoor tegenover hen tekort te schieten,  evenals haar onmacht tegenover de verwijten van haar dominante man en van haar onredelijk kritische werkgever, zodanig besproken worden dat haar zelfverwijt plaats maakte voor zelf-compassie. Daardoor bouwde ze zoveel zelfvertrouwen op dat ze niet  alleen assertiever werd tegenover haar man, maar hem ook gelijk kon geven waar hij gelijk had. Ook kon ze meer van haar kinderen genieten. En verder vond ze een andere werkkring, waar ze van meet af aan gewaardeerd werd en die haar nieuwe ontplooiingskansen gaf.

Dit was voor haar de reden om na 19 therapiezittingen aan te geven dat ze wilde stoppen omdat ze voldoende bereikt had.

Dat ze zoveel in zo korte tijd wist te bereiken komt mijns inziens omdat de verdere therapie slechts een uitwerking was van de beslissende ommekeer die in het derde gesprek had plaatsgevonden; door mijn eerlijkheid over mijn onmacht waren we gelijkwaardig geworden, zodat ze daarna een optimaal gebruik van onze werkrelatie kon maken en zich met mijn compassie kon identificeren.

Zulke ‘moments of meeting’ (Daniël Stern) zijn onherhaalbaar, maar je kunt wel leren om je er voor open te stellen door bereid te zijn om je eerst zelf door de patiënt te laten raken.

Ik zit dus ik zie

Gerda Frijda, psychoanalytica en psychoanalytisch psychotherapeute, eigen praktijk in Den Haag

Toen ik veertig jaar geleden het analytisch veld betrad moest de NVPP nog opgericht worden.

In een analyse was als in de dagen van Freud een analyticus abstinent en onzichtbaar achter de sofa waarop de vrije associatie en de overdracht zich optimaal konden ontwikkelen; zonder realitycheck en zonder censuur. In de daarvan afgeleide psychoanalytische psychotherapie speelde de externe realiteit een grotere rol, en werd minder regressie gezocht. Consistent hiermee was de setting face-to-face. ‘De Bank’ was dus gekoppeld aan het niet-hebben van oogcontact, terwijl de zitter zijn therapeut kon zien. De basisaanname moet zijn geweest dat oogcontact veiliger voelt, en dat de zittende houding ook meer controle en autonomie meebrengt.

In de jaren dat ik opgeleid werd en praktijk ging doen nam de (metaforische) zichtbaarheid van de analyticus/therapeut toe, met meer aandacht voor de kwaliteit van zowel de primaire (ouderlijke) als de therapeutische relatie, en daarmee voor de dimensie van veiligheid.Doordat ik als psychoanalytisch psychotherapeute èn psychoanalytica een bank in mijn praktijkkamer heb, kan ik sommige therapiepatienten (meestal degenen voor wie een analyse geindiceerd zou zijn) de keuze laten tussen zitten of liggen.

Ik wilde wat ervaringen met de beleving van oogcontact nagaan.

Ik denk aan een bekwame, afgemeten vrouw. Zolang zij zich kon verschuilen achter haar verstand en een klassiek-modisch uiterlijk kon niemand gissen hoezeer zij als kind verlaten was geweest en hunkerde naar het moment dat zij voor zichzelf een beter leven zou maken. Met een talent voor aanpassing was dit maatschappelijk gelukt, maar zij strandde op intieme relaties: het verlangen dat werd aangesproken was te overweldigend, en of zijzelf of de ander moest als oud vuil buitengezet worden. Het was voor haar erop of eronder om haar eigen verlangens te ontdekken en weer toe te eigenen, maar hoe kan dit met iemand samen als je je alleen een speelbal voelt in kwaadwillende handen? Een psychoanalyse werd geIndiceerd, maar dit durfde zij niet aan. Er was al zoveel achter haar rug bekokstoofd.

Face-to-face bleek evenzeer onverdraaglijk doordat zij mijn blik niet anders kon gebruiken dan voor speuren naar tekenen van afwijzing en bedrog, dat vervolgens met pleasen afgewend moest worden. Pas langzaamaan ervoer zij acceptatie en durfde ze te geloven dat ze van mij de tijd mocht nemen, en dat ik vooral geen schijn-vertrouwen zou afdwingen. Ze durfde te gaan liggen, zij het in lagere frequentie. Maar eerst had ze had zich iets van mijn welwillende blik eigen moeten maken.

Het omgekeerde traject doorliep een heetgebakerde “snelle jongen”, die al op de drempel vroeg om een analyse, en mij overspoelde met bewijzen van zijn vergevorderd inzicht.

Binnen een maand liep hij vast, en moest zitten en mij zien. Een parallel diende zich aan: hij roemde zichzelf als minnaar die eigen genot opzij zette voor de vrouwtjes. De verrukking in hun ogen was de motor waarop hij liep, en net zo dacht hij mij met zijn prestaties in vervoering te moeten brengen – maar daarvoor was wel een oogcontact nodig waarin hij dat kon aflezen. Hij heeft daarna een harde dobber gehad aan een weliswaar face-to-face contact, maar zonder dat ik vanzelf zijn leegte vulde.

Een ervaring van mezelf en van sommige collega’s is om meer te gaan zeggen bij iemand die gaat liggen na een zittende therapie. Het lijkt nodig een weefsel te weven waarmee je de ander in de aanvankelijk grotere afstand op de bank, zonder de taal der ogen, toch kan omvatten.

Het heeft me vaak verrast dat relatief veel mannen liever liggen dan zitten. Mijn gedachten hierover zijn tweeërlei, met alle gevaar van generalisatie.

Ik denk dat zij zich in het dagelijks leven minder regressie en symbiose toestaan, en die in de “Lust ohne Schuld”-situatie van een therapie wel durven zoeken. En dat daarnaast het oogcontact met een vrouw (ik ben een vrouw) snel de kritische moeder-overdracht of een erotische overdracht kan triggeren, die beide liever in eerste instantie vermeden worden.

Is oogcontact nu inderdaad veiliger? Ik heb geen eenduidig antwoord en denk dat het eerder van de soort angst en iemands angst-management afhangt.

Het is in feite een noodzaak – in het huidige politieke klimaat helaas zeer onder druk – om voor ieders angst de juist afgestemde therapievorm te creëren.

De vignetten zijn gecondenseerd uit diverse casuistiek.

Van elke patiënt kun je leren

Dr. Ruud Erdman, GZ-psycholoog, psychoanalytisch psychotherapeut. Verbonden aan het Erasmus Medisch Centrum te Rotterdam en zelfstandig gevestigd in Krimpen aan de Lek. Leertherapeut en NVPP supervisor.

De reden dat ik het leuk vind om over de hier onder beschreven patiënt iets te vertellen, is omdat hij mij, nadat hij mij eerst enorm aan het schrikken had gebracht, ook een aantal dingen geleerd heeft.

Het is al weer geruime tijd geleden dat Thomas ( 35 jaar oud) zich tot mij wendt voor psychotherapeutische behandeling. Wat bij onze eerste ontmoeting direct opvalt is zijn modieuze kledingstijl; hij heeft een dandy achtige uitstraling. Alles in zijn kleding is geraffineerd, een tikkeltje vrouwelijk en pseudoslordig op elkaar afgestemd. Hij maakt een gehaaste en opgejaagde indruk.

Na mij eerst even een compliment te hebben gegeven over mijn naar zijn indruk smaakvol ingerichte spreekkamer, steekt hij van wal met een litanie van klachten. Hier volgt een opsomming: zijn vriendin heeft het een aantal maanden geleden voor de tweede keer uitgemaakt. Twee jaar daarvoor had zij het ook al uitgemaakt nadat zij, zonder hem daarvan in kennis te stellen zich van hun gezamenlijk kind had laten aborteren. Ruim 10 jaar geleden zijn zijn ouders gescheiden en sinds die tijd heeft hij geen contact meer met zijn vader. In zijn werk ( bouwkunde) is nauwelijks of geen werk meer te vinden vanwege de recessie. En als je geen of weinig opdrachten krijgt kun je geen vrouw onderhouden, aldus patiënt. Op alle vlakken van het leven voelt Thomas zich uiterst onzeker en dan blijkt bij navraag dat hij de jongste is van een tweeling en dat zijn tweeling broer in alle vakken op school en ook op sportgebied, carrière en qua uiterlijk veel succesvoller was en is dan hij. Ook ten aanzien van een oudere zus voelt Thomas zich achtergesteld. Hij heeft geen enkel zelfvertrouwen, een uitgesproken negatief zelfbeeld , denkt aan zelfmoord plegen en bij afronding van ons kennismakings gesprek vermeldt Thomas ook nog dat hij inmiddels 7 psychologen heeft versleten. De grondstemming is somber en straalt fatalisme uit.

Bij aanvang van de behandeling persisteert Thomas in het chronisch devalueren van zich zelf en geeft hij aan op internet uitgebreid te zoeken naar methodes om een eind aan zijn leven te maken. De antidepressiva, voorgeschreven door de huisarts worden op mijn voorstel verhoogd. Het devalueren echter en het zich steeds vergelijken met derden, waarbij hij altijd de mindere is, blijft aanhouden. De behandeling draait naar mijn mening te lang stationair en mijn ongerustheid wordt steeds groter.

Thomas wijst een intensivering van de frequentie af en als ik vervolgens uitgebreid psychodiagnostisch onder zoek voorstel via Psychotherapeutisch Centrum De Viersprong in Halsteren loopt Thomas, voor mij volstrekt onverwacht ( boos) mijn spreekkamer uit naar buiten, met de woorden:  “ik ben niet gek” .

De angst slaat me om het hart; wat te doen. Na enig gepuzzel in mijn hoofd bel ik zijn huisarts vanwege mijn angst voor een TS . Zij komt met een voortreffelijk voorstel: bel hem op en vraag of hij vanmiddag nog een gesprek met je wil om e.e.a. te bespreken . Aldus geschiedde en daar werd mij duidelijk dat Thomas mijn  voorstel als een enorme narcistische krenking (de zoveelste in zijn leven) had opgevat. En vervolgens ; hij was niet zozeer boos op mij maar ik had hem onbedoeld erg angstig gemaakt.

Wat heb ik van Thomas geleerd: 1) een tweeling broer die “chronisch” beter presteert, in de perceptie van betrokkene, kan gevoeligheid voor jaloezie en krenking activeren. 2) patiënten geven gevoel door; als zij angstig worden of zich gekrenkt voelen kan het zo zijn dat jij als therapeut die gevoelens (onbewust) overneemt en 3) contact met de huisarts kan tot praktische en nuttige oplossingen leiden.

Bij afronding van de behandeling, kon Thomas de emotionele pijn, welke onlosmakelijk verbonden is met welke vorm van krenking dan ook, verdragen en goed hanteren. Inzicht helpt, maar het kost wel tijd voor het zover is en dat vereist geduld van beiden.

Schuilplaats

Ben Jonkers, klinisch psycholoog / psychoanalytisch psychotherapeut

Het miezert buiten. Waterig hangt de mist tussen de kale takken. In de verte klinkt het optrekken van een stadsbus.

Schuin tegenover me zit een man. Het eerste kwartier heeft hij veel gesproken. Woedend was hij vanochtend binnengekomen. Hij had verteld over zijn baas. De vele frustraties van de afgelopen werkweek. De managers die er niks van snapten. Het niet gezien worden. Rustig had ik een verbinding met zijn vader gelegd.

Nu is hij in diepe gedachten verzonken. Een rimpel heeft zich boven zijn neus gevormd. Ik laat de stilte de stilte. Mijn ogen dwalen af naar zijn schoenen. De veters zijn slordig bij elkaar gebonden, zoals bij een scholier. Verder zit hij keurig in pak. Zoals altijd. Hij komt hier nu ruim een jaar. Twee keer per week.

Buiten is het harder gaan regenen. Dikke druppels slaan tegen de ramen. Ik geniet van het geluid. En van de veiligheid van het beslotene. Het doet me denken aan toen ik klein was. Als het onweerde mocht ik aan het begin van de avond in het grote bed van mijn ouders slapen. Reusachtige dikke dekens. Mij kon niks overkomen.

De man zwijgt nog steeds. De rimpel boven zijn neus is echter verdwenen. Er hangt inmiddels een soort van ontspanning over zijn gelaat. Het denken lijkt plaats te hebben gemaakt voor gevoel. Op zijn schoenen vallen me een paar modderspatjes op. Om zijn rechterbroekspijp zit een metalen klem. Zoals altijd. Twee keer per week.

Ik kijk mijn spreekkamer rond. De zacht-rode vloerbedekking. Het antieke zwarte bureau. De reproductie van Saenredam. De schilder van de ruimte. Zoals altijd blijven mijn ogen rusten op mijn boekenkast. Naast de vakliteratuur ook enkele dichtbundels. Poëzie gebruik ik tussen de zittingen door om zelf naar binnen te keren. Internet en e-mails vormen de dreigende en afleidende buitenwereld.

Zachtjes, maar toch duidelijk, begint de man weer te vertellen. Over zijn vader. Zijn haat. Zijn verlangens. Het gevoelde onbegrip. De gemiste kansen. En vooral over de schaamte. De altijd weggestopte gevoelens. Dat wat niet gevoeld mocht worden. De loden last van het geweten. Ik zie aan zijn gezicht dat het vertellen hem oplucht. Hoe anders was dat enkele maanden geleden. Met in elkaar geschoven armen kruislings voor zijn brede borst zat hij me nors aan te kijken. Hem zouden ze niet raken. Twee keer per week had hij veel gevonden. Toch stemde hij uiteindelijk toe.

Mijn kamer bevindt zich in een oud pand, gebouwd aan het begin van de vorige eeuw. Hoge plafonds met ornamenten, hoge gebrandschilderde ramen, enkele Jugendstil elementen. Het geeft de ruimte iets tijdloos. Het is nu, maar het had ook veertig jaar geleden kunnen zijn. Of nog vroeger. De bomen buiten hebben de roerige jaren zestig meegemaakt. De ramen hebben de oorlogsjaren gezien.

Uit zijn grote ogen komen nauwelijks zichtbare tranen. Kleine spatjes. Ik voel mededogen. Hij stopt met praten en kijkt me even aan. Mannen onder elkaar. Ik moet denken aan mijn eigen vader. Onze ogen blijven op elkaar rusten. Ook dit durfde hij een tijd geleden niet. Voortdurend schoten zijn ogen alle kanten op. Pure angst. En schaamte.

Hij zucht en glimlacht voorzichtig naar me. Pas dan dwalen zijn ogen weer af. Wederom naar binnen gericht. Ergens naar een punt in de tijdloze ruimte.

Buiten regent het nog steeds. Het is gaan waaien. De takken zwiepen voor mijn ramen heen en weer. Af en toe het geluid van voorbijgaande auto’s in de verte.

 

In en uit de spreekkamer

Bart Laps, GZ-psycholoog / psychoanalytisch psychotherapeut

Enerzijds bestaat mijn werk in de spreekkamer uit het proberen (niet) te begrijpen van wat patiënten vertellen, om zo een psychotherapeutisch proces op gang te brengen. Anderzijds merk ik vaak beter te begrijpen wat er in die spreekkamer gebeurt, wanneer ik er figuurlijk en soms ook letterlijk uit stap en vanuit een derde positie kan kijken. Bij voorkeur samen met enkele collega’s. Dat kan – voor de hand liggend – gaan over wat er in het contact met patiënten gebeurt, maar ook over de setting van mijn spreekkamer, en waar die zich bevindt in het grotere geheel van een organisatie met een geheel eigen dynamiek (een specialistische GGZ-instelling voor patiënten met ernstige persoonlijkheidsproblematiek). De titel van deze rubriek zou dan een verzoek kunnen zijn om af en toe ”uit de spreekkamer!” te komen en zich vanuit het psychoanalytisch gedachtegoed te laten horen in zaken die direct of indirect van invloed zijn op ons werk. Bijvoorbeeld… over de spreekkamer. Het valt me namelijk op hoe in GGZ-instellingen het economisch discours welig tiert, maar er steeds minder aandacht wordt geschonken aan dat onbetaalbare therapeutisch milieu en de architectuur (in brede zin) van de behandelsetting.

Ik denk regelmatig terug aan de colleges “Psychoanalytische Psychotherapie” tijdens de Licentiaatsjaren Psychologie (in hedendaags jargon “Master-jaren”) aan de K.U.Leuven door prof. S. Verhaest. Bij jonge psychologen in opleiding besteedde hij onverstoorbaar een aantal lesuren aan het gedetailleerd bestuderen van de spreekkamer. Wat staat er wel en wat staat er niet in? Wat is de temperatuur? Is de ruimte voldoende geluidsgeïsoleerd? etc. Die lessen hadden aanvankelijk een bevreemdend effect, maar misten hun doel bij de meeste studenten niet; we werden uit ons vertrouwde theoretische discours gehaald én we leerden nadenken over hoe àlles potentieel betekenisvol is.

Het werken in een GGZ-instelling betekent dat ik voor een deel zelf zeggenschap heb over de inrichting van “mijn” spreekkamer. De beeldjes, de boeken, de prenten aan de muur,… Ik vraag me af of zij iets bijdragen aan betekenisgeving van mijn werk. Bijvoorbeeld een oude getekende wereldkaart; een onvolkomen en tijdelijke weergave van een niet geheel te bevatten wereld, maar een verdienstelijke poging die uitnodigt tot verdere ontdekkingsreizen. Of een iets ludieker voorbeeld; op mijn bureau een miniatuurtje van de Ghostbusters-auto uit de gelijknamige film uit 1984. Van mijn zoontje gekregen. Psychoanalytisch therapeuten zijn toch ook een soort ghostbusters? (Het wetenschappelijk statuut voortdurend ter discussie, jagen op spoken waar niemand in wil geloven, maar die wel degelijk echt zijn, en waarvan men met schroom toegeeft er last van te hebben… en ook die spoken werden “contained”!)

Soms heb ik geen invloed op wat er met de spreekkamer gebeurt. Zo was er enkele jaren geleden de (gelukkig tijdelijke) verhuizing naar een kantoorpand. De muren waren kartonnen systeemwanden waarbij de stemmen uit de aanpalende spreekkamers hoorbaar waren. Wat dan meteen opvalt, is hoe de grenzen van de fysieke ruimte (niet) werken. De afgebakende ruimte van de spreekkamer is een veilige plaats waar alles binnen een vertrouwensrelatie gezegd kan worden. ”Het blijft binnen deze muren”, of niet? Een 38-jarige patiënte, bikkelhard manager maar vastgelopen in een desastreus liefdesleven met overheersende zelfzuchtige mannen, op dat moment reeds 2 jaar in een analytische therapie geëngageerd, zag ik steeds angstiger worden. In tegenstelling tot de vorige spreekkamer, beroerde deze setting herinneringen aan een agressieve vader en paranoïde moeder waarvoor ze nergens in het ouderlijk huis een veilige ruimte had. Er was geen bescherming tegen de intrusieve geluiden van een ouderlijk paar, vechtend of vrijend (of allebei) in de kamer naast de hare. En er was geen veilige afbakening van een eigen ruimte; kamers waren open want controleerbaar. Nog steeds vraag ik me af in welke mate deze fysieke ruimte verantwoordelijk was voor de daarop volgende stagnatie in de therapie, dan wel mijn eigen onvermogen om in die ruimte te functioneren. Ook ik merkte een bepaalde begrenzing te missen. Ik was in de nieuwe spreekkamer dan wel niet angstig, maar kon er evenmin de mentale rust en ruimte vinden die nodig is om dit werk te doen. En ook die onbeschikbaarheid van mijn kant, die verlating, heeft zij aangevoeld.

Er zijn voorbeelden waarbij ongelukkige veranderingen in de setting toch waardevol materiaal opleveren. Zo ontstond een lege plek aan de muur, toen in de organisatie het contract met de Kunstuitleen werd wegbezuinigd. Een jonge twintiger, aangemeld met angstklachten en somberheid, en remming in het sociale en relationele leven, begon plots hardop te fantaseren of haar schilderijen een plaats zouden kunnen krijgen op de lege plaats aan mijn muur. Fantasieën die wat grootser van aard waren, namelijk of haar werk ook op andere lege plaatsen in de instelling zou kunnen hangen, gingen dan weer gepaard met primitievere angsten over krenking (“wat als men het maar niks vindt?”) of van meer paranoïde aard (“namelijk of haar hele persoonlijkheid en problematiek open en bloot zichtbaar zou zijn”).

Vaak genoeg heb ik geen zeggenschap over wat er mijn spreekkamer, en bijgevolg de therapieën, binnenkomt. Er zijn genode en ongenode gaste van materiële en immateriële aard. Inherent aan het werken in een instelling is de intrede van elementen waar ik als psychoanalytisch therapeut niet spontaan voor zou kiezen. Materiële zaken zoals een alarmbelletje (Zijn mijn patiënten plots gevaarlijk? Of gaan ze zich door die alarmknop gevaarlijk voelen?), of immateriële zaken zoals administratieve richtlijnen of een nieuw bevreemdend jargon (bedrijf ik psychotherapie of lever ik een zorgproduct?). In een snel veranderende GGZ-omgeving met velerlei invloeden van buitenaf, zijn de grenzen van de spreekkamer en bijgevolg de therapie niet meer zo makkelijk af te bakenen. Dwars doorheen de stenen muren lopen telefoonlijnen en digitale snelwegen met internettoepassingen zoals e-health. Steeds meer willen andere partijen – anderen dan de patiënt(e) en ikzelf – de muren van de spreekkamer zo transparant mogelijk. (Op sommige plaatsen vertaalt het zich in spreekkamers met glazen wanden.) Een relatief recent voorbeeld zijn de door zorgverzekeraars opgelegde ROM-metingen. Zowel in de psychoanalytische opleiding als doorheen ervaringen met “storende geluiden” als hierboven beschreven, heb ik geleerd om (te proberen) alles wat binnenkomt te beschouwen als te bewerken ruwe materie. Zo tracht ik intrusies in de therapeutische ruimte niet te zien als kwalijke indringers, maar samen met de patiënt te kijken naar de betekenis van hun intrede. In het geval van ROM-metingen, werk ik in beperkte mate met wat de cijfers beweren te meten, maar probeer ik vooral samen met de patiënt te kijken naar wat dit fragmentarische spiegelbeeld voor hem of haar betekent.

Een dergelijke attitude helpt me om het gat – door het vreemde object in het psychoanalytisch weefsel geslagen – te overbruggen en het contact met de patiënt te behouden of te herstellen. En het confronteert me telkens weer met de noodzaak om over het binnen en het buiten van de therapeutische ruimte – het in en uit de spreekkamer – te blijven nadenken.

 

*casuïstiek is gefingeerd a.d.h.v. meerdere voorbeelden

De hamamelis

Jos van Mosel, klinisch psycholoog, psychotherapeut, psychoanalyticus

zelfstandig gevestigd in Leiden en aan het Olympiaplein in Amsterdam

 

Het is november, koud en guur, zo’n dag waarop ik blij ben, dat ik ‘praktijk aan huis’ heb en de deur niet uit hoef. Ik sta voor het raam en kijk door het beregende raam naar de tuin die er winters kaal bij ligt. Daar bloeit de hamamelis. Dat de boom hamamelis heet, heb ik geleerd van Ada. Terwijl ik naar de boom kijk, herinner ik me haar. Het is nu anderhalf jaar geleden, dat we afscheid namen, na vierenhalf jaar samen gewerkt te hebben. Ada en de hamamelis zijn in mijn mind met elkaar verbonden.

Toen Ada voor het eerst kwam, was ze volkomen uitgeput. Als alleenstaande moeder was ze de eerst verantwoordelijke voor haar twee schoolgaande kinderen en door haar talent en ambitie gedreven werkte ze zich in een baan die veel van haar eiste over de kop. Ze ging gebukt onder veel lichamelijke klachten. Maar meer nog had ze last van altijd aanwezige angst en van verdriet dat haar bij vlagen overspoelde en dan maar niet over wilde gaan.

Ze was als kind vaak bruut behandeld. Door een vader die ze dat niet kwalijk mocht of kon nemen, want hij was immers als jong kind door de oorlog ernstig beschadigd. En nu waren vader en moeder oud en hulpbehoevend en wilde ze hun geen oude verwijten maken. Ze zat klem. Als moeder wist ze zich soms geen raad met boze gevoelens van haar kinderen en van zichzelf.

Ik luisterde naar haar en probeerde haar te begrijpen. Dat ging niet vanzelf. Want ze was ook voor mij bang. Ze vreesde door een uitgestoken hand geslagen te worden. Haar verlangen naar rust, troost en koestering ging hand in hand met angst voor vernedering en geweld. Achter mijn welwillendheid en begrip kon zo maar de sadist, de nazi te voorschijn komen.

Om kinderen te kunnen aanvoelen en begrijpen moeten we ons in ze inleven. Dat doen we onder meer door ons onze eigen ervaringen in herinnering te brengen. Als Ada dat deed, leverde dat confrontaties met pijnlijke en voor een kind niet te hanteren beelden op. Beelden die zich via vaders’ steeds weer herhaalde verhalen in haar hadden genesteld.

De oorlogservaringen die haar vader als kind hadden beschadigd hadden hem belemmerd om zijn kinderen aan te voelen en te begrijpen. Ada en ik hebben geprobeerd om een nieuwe ruimte te creëren, voor haar en daarmee indirect ook voor haar kinderen. We zochten naar manieren om de oorlog die haar in de greep had, te laten ophouden.

Gelukkig was Ada intelligent, een doorzetter en een overlever. Op een dag, toen we een paar jaar aan het werk waren, kwam ze binnen met rode konen van de kou en zei: ‘De hamamelis bloeit! Heb je het gezien?’ De hamamelis wordt ook wel toverhazelaar genoemd. Het is een struik die bestand is tegen sterk wisselende temperaturen en in de winter bloeit met kleurrijke bloesem waar soms de sneeuw op ligt. Als ze de ruimte krijgt, kan ze zo groot als een boom worden.

Ada vertelde erover. Ze wist veel van bloemen en planten. Het was een belangstelling die ze van haar moeder had meegekregen. In die gedeelde belangstelling voor de natuur had ze als kind en later als tiener soms psychisch kunnen schuilen.

Ik heb van tuinieren geen verstand, maar toen we verhuisden naar een tuin met een struik die in de winter bloesem vertoonde, wist ik van wanten.

Het was met Ada als met de hamamelis: onder barre omstandigheden had ze overleefd. Toen we het einde van onze werk naderden wisten we allebei, dat de ruimte die we in mijn spreekkamer tussen ons gemaakt hadden, nu in haar bestond en niet meer weg zou gaan. We hadden niks uit haar leven weg kunnen halen. De pijn niet, het verdriet niet, het gemis niet. Maar we hadden wel iets aan haar leven kunnen toevoegen: ruimte om te kunnen beleven, voelen en denken. We hebben die psychologische ruimte gemaakt door de kernelementen van het psychoanalytische: de vertrouwelijkheid, de grondregel van de vrije associatie en de emotionele beschikbaarheid van de therapeut.

In het begin was de spreekkamer, was onze relatie, een nis waar ze in kon schuilen, ja bijna een schuilkelder. Allengs werd het een plek waar ze kon oefenen met het beleven en uiten van gevoelens en behoeften. Ze was niet meer bang om iets te willen. En niet meer bang om iets níet te willen en zo nodig boos te worden.

En als de hamamelis bloeit is ze in mijn gedachten, in mijn psychische ruimte. Ze is er welkom.

 

Keuzes

Esther Beek, psychoanalytisch psychotherapeut in opleiding

In mijn team binnen een grote GGZ-instelling zijn we al geruime tijd druk bezig de veranderingen in te voeren die nu blijkbaar het beste lijken aan te sluiten bij de politieke wensen van dit moment. Ik werk relatief kort in de geestelijke gezondheidszorg, waarbij ik, als stagiair psychologie, begon in een therapeutische gemeenschap, ruim 15 jaar geleden. Daar was ik getuige van hoe een pracht-, maar voor mij nog moeilijk te doorgronden fenomeen (psychodynamische dagbehandeling en kliniek) werd opgedoekt in het kader van decentralisatie.

Op dit moment zit ik weer, zoals gezegd, midden in een grootschalige wijziging. Ik werk als enige psychotherapeut in een team, dat oorspronkelijk gespecialiseerd is in ouderenpsychiatrie. Het team bestaat uit psychiaters, specialisten ouderengeneeskunde, andersoortige artsen, spv-en, nurse practitioners en ambulant verpleegkundigen. Mijn psychodynamische manier van werken paste tot nu toe prima in deze omgeving. En wanneer er meer klachtgerichte en kortdurende inzet nodig leek, was er altijd wel een gz-psycholoog voor handen die middels cognitieve gedragstherapie de eerste of enige noodgrepen toepaste. In het kader van die grootschalige wijziging werd ons gevraagd een keuze te maken: wil je in een wijkteam, wil je in een specialistisch ouderenteam (waar patiënten niet langer dan 2 jaar in zorg mogen zijn) of wil je in het geriatrie team (waarbij de focus op cognitieve problematiek ligt).

Als je de opties goed leest, was er weinig ruimte voor langdurend veranderingsgerichte behandelmogelijkheden. Daar zat ik dan met mijn proces-, en persoonsgerichte opleiding. Stel ik koos voor het specialistisch ouderenteam, hoe moest het verder met mijn huidige patiënten, volwassenen onder de 65 maar ook adolescenten die met mij een langdurend traject zijn aangegaan? Moest ik daar mijn intensieve (1×7, want dat heet bij ons intensief) psychotherapieën mee afbreken en de patiënten doorverwijzen naar een ander deel van onze grote instelling? Dit heeft me flink wat hoofdbrekens gekost.

Gezien de ontwikkelingen met MBT en TFP en het belang om toch maar aan te sluiten bij de “evidence based drive” van deze tijd voelde ik me eigenlijk richting het wijkteam geduwd, onbewust, want de keuze stond vrij. Ik ben toch zo goed opgeleid met betrekking tot persoonlijkheidsproblematiek, dan zal ik daar mijn kennis en kunde moeten inzetten waar die het meest te vinden is. En in de wijkteams is hardnekkige problematiek te vinden.

Toch zag ik mij niet in een team mijzelf bezighouden met ernstig verstoorde levens waarbij vooral op sociaal maatschappelijk niveau veel moest gebeuren in samenwerking met een veelheid aan andere zorginstellingen uit de buurt. Wel kon ik mijn rol als procesbewaker in het team zien en daarmee mezelf dienstbaar maken. Maar een veld met veel vastgelopen as IV-problematiek en soms ook nog problemen in de psychotische hoek is toch niet de plek waar ik me dacht nuttig te kunnen maken.

Klopten mijn overwegingen wel? Met een klein deel van het team richten we ons soms ook op de zeer kwetsbare persoonlijkheden met flink wat vinkjes op de as IV. Dan hebben we regulier overleg en veel adhoc uitwisselingen over de meest recente belevenissen en bijbehorende tegenoverdracht. Een patiënt die bij verschillende instellingen is weggelopen of is uitgeschreven omdat het snel vastliep, wegens frustratie aan beide zijden, is nu toch alweer een aantal jaar in zorg bij ons, juist door de kennis van theorieën van Melanie Klein en het beschikbaar zijn als bad object. Niet dat de behandeling nu een kabbelend beekje is, integendeel, maar dat is dan ook wat we als onze taak zien, de holding environment creëren waarbinnen deze patiënt het minst last ervaart en de kans op decompenseren het kleinst is.

Inmiddels heb ik mijn keuze gemaakt voor het specialistisch ouderenteam en blijkt de soep gelukkig toch niet zo heet te worden gegeten ten aanzien van mijn lopende behandelingen. Vooral door de praktische stroop die is ontstaan bij de wisselingen van de wacht. En door een manager die het belang ziet van de relationele kant van de psychotherapie, kan ik mijn volwassen en adolescente patiënten gewoon blijven zien tot we klaar denken te zijn. Ook al zit ik in dit specialistisch ouderenteam. Zo lang ik werk, maak ik mee dat er beknibbeld wordt op de therapeutische mogelijkheden, het gaat van kwaad tot erger. Echter zolang ik me nog kan blijven uitdrukken in de taal die mij het beste past, niet in het minst omdat er nog managers zijn die dit toelaten ondanks alle veranderingen waartoe zij zich dienen te verhouden, kan ik voorlopig gewoon blijven werken in deze grote GGZ-instelling.

Geen praktijk zonder theorie

Theo Verbeek , vrijgevestigd psychoanalytisch psychotherapeut Amsterdam & Callantsoog

Recent sloot ik de NVPP opleiding af. Het waren rijke volle jaren waarin veel theoretische onderbouwing weer opgefrist, verdiept en verbreed werd. Niets is prettiger dan dat je dagelijks ziet dat theorie in de spreekkamer uitgespeeld en bewaarheid wordt

Zo volgde ik afgelopen jaar op het NPI het blok Melanie Klein  waarin we uitgebreid stil stonden bij de door haar beschreven  depressieve en paranoïd-schizoïde posities. In dezelfde periode werd ik getroffen door een neurologisch beeld met acuut geheugenverlies. De werkdag diende dus gecanceld te worden en op instigatie van mijn vrouw vanaf haar werk zei ik de eerste afspraak  af met een korte ingefluisterde zin: “ik ben ziek en ik kan vandaag niet werken”.

Mijn cliënt die dag betrof Rob, een 20 jarige begaafde en stoere  scholier met een getroebleerde achtergrond, vastgelopen in dysthyme klachten, impulscontrole problemen, drugsmisbruik, interactionele problemen en dreigende persoonlijkheidspathologie. Rob was al uitgebreid behandeld door de 1e lijn maar  de problematiek bleek te complex en taai en hij in zijn optreden in de werkrelatie slim, lastig en heftig. Met Rob had ik een pas gestarte inzichtgevende psychotherapie afgesproken waarin we elkaar minstens een jaar wekelijks zouden zien om externalisatie en ageergedrag, naast gezonde doorgroei in ontwikkelingstaken als topics te exploreren. Toen ik die betreffende vroege donderdagmorgen  hem bij de deur trof en de afspraak afzegde, vertrok hij verslagen. De week erop, mijn mist door het neurologisch toestandsbeeld was reeds opgetrokken, trof ik Rob weer. Actief bracht ik de gang van zaken van de afgelopen week in. Ik gaf uitleg over het acute goedaardige neurologische beeld en vroeg vervolgens naar zijn beleving mbt het voorval. Rob raakte wat ontzet en meldde dat hij het afzeggen door de mij zag als een testcase voor zijn frustratie tolerantie. In de afgelopen dagen had hij zichzelf ook afgevraagd of ik werkelijk wel wat had waardoor ik hem de deur wees; nu ter plekke dacht hij dat nog! Door middel van containment en het feit dat verdere exploratie van deze beladen gevoelens voor ons beiden ( ook voor mij als behandelaar vanwege het persoonlijke karakter op dat moment)  in deze beginfase van de behandeling nog niet opportuun waren, gingen we door op andere onderwerpen en zijn gevoelsbeleving.

Later die avond en werkweek, reflecterend op Rob’s reactie en met de theorie van Klein nog recent in mijn hoofd, zag ik hoe Rob als verlaten baby door zijn vader, verwaarloosd opgegroeid bij zijn grenzeloze wat esoterische moeder, mij zijn verinnerlijkte ouders toonde als overdrachtsfiguur. De paranoïd-schizoïde positie met nijd, de slecht te verdragen ambivalenties, de vernietigingsangsten en magisch omnipotente ontkenning als wel het tekort aan objectconstantie kwam mijn kamer binnen. Ik werd  in psychoanalytische termen als therapeut het slechte object wat door het Ego vernietigd diende te worden.

Inmiddels zijn we een jaar verder en hebben ons behandelcontract verlengd. Het gaat goed met Rob en mij. We treffen elkaar elke donderdagmorgen en tussen hem en mij gebeurt in de kamer steeds meer wat bespreekbaar en voor hem ( en mij)  te verdragen is . Zijn leven kent minder excessen en meer successen. Deze column is nu ook weer onderwerp van gesprek geweest waarin we terugblikten op dit illustratieve voorval.

In mijn therapiestoel voel ik me bekwamer, sterker en professioneler. Geen praktijk zonder goede theorie. Dat is niet in de laatste  plaats te danken aan de rijke psychoanalytische referentiekader; mede met dank dus aan Melanie Klein.

 

“Alleen een vrij man kan een goed geneesheer zijn”

(Medisch Contact, artsenverzet)

Cobie Groenendijk
psychiater/ psychoanalytisch psychotherapeut

Deze keer neem ik u niet mee de spreekkamer in, maar werp ik graag met u de blik naar buiten de spreekkamer.
Er gebeurt namelijk nogal wat in de samenleving, waardoor ik het soms moeilijk vind om mijn hoofd bij het werk te houden, mijn energie aan te patiënt te geven en de setting van de therapie te bewaken. Wat verandert er dan, vraagt u zich wellicht af? Wel, sinds dit voorjaar wordt er in Den Haag druk gediscussieerd over de inrichting van de zorg en de rol van zorgverzekeraars en dat heeft nogal wat consequenties voor ons werk.

De minister van volksgezondheid mevrouw Schippers is de mening toegedaan dat zorgverzekeraars beter dan zorgverleners in staan zijn om EN de kwaliteit van de zorg te verbeteren EN tegelijkertijd de kosten te drukken. Dat dat laatste nodig is wordt op zich breed gedeeld, maar dat daarvoor de regie nog meer bij de zorgverzekeraars & de markt moet komen te liggen, gaat mij persoonlijk een brug te ver. Juist omdat de middelen die daarvoor ingezet worden, te weten winstuitkering door ziekenhuizen en het afschaffen van de vrijeartsenkeuze bedreigend zijn voor de kwaliteit van de zorg en het tot op heden vrij solidaire zorgstelsel. Dat zorgverzekeraars hele andere belangen hebben dan patienten en zorgverleners en dat het machtsevenwicht tussen hen uit balans raakt,  wordt meer en meer duidelijk en daar schreef ik eerder dit artikel over. http://www.parool.nl/parool/nl/4/AMSTERDAM/article/detail/3718468/2014/08/14/Verzekeraars-snappen-de-zorg-niet.dhtml

Zonder een deugdelijke theoretische en financiële onderbouwing van de minister dreigt de vrije keuze voor een zorgverlener tot het verleden te gaan behoren en zal een patiënt zich tot de zorgverzekeraar moeten wenden om te horen naar wie men gaan kan. Niet de huisarts verwijst meer naar een psychotherapeut waarvan hij vermoedt dat de patiënt daarmee een klik zal hebben en in goede handen zal zijn, nee, de huisarts moet naar de zorgverzekeraar verwijzen die vervolgens de patiënt naar een gecontracteerde zorgverlener stuurt.

Omdat de therapeutische relatie, de kwaliteit en de continuïteit van zorg bedreigd wordt, is er sinds dit voorjaar een spontaan protest ontstaan. Samen met de zorgorganisatie VVAA, patiënten en collega’s hebben we het Comite VrijeArtsenkeuze opgericht. In de loop van de maanden hebben vele organisaties, waaronder de Consumentenbond en de Abvakabo-FNV en ook de NVP zich gevoegd bij dit protest. Nadat de Tweede Kamer (PvdA, VVD, D66, ChristenUnie & SGP) helaas haar zegen heeft gegeven aan deze stelselwijziging, is de wetgeving nu bij de Eerste Kamer beland. Het Comite heeft daarop een Manifest geschreven en een petitie geopend.

De NVPP heeft deze week, tot mijn vreugde, samen met vele andere patiënten- en beroepsorganisaties, het Manifest Vrije Artsenkeuze (=staat voor Vrije Zorgverlenerskeuze) ondertekend https://www.vvaa.nl/manifest. Dit Manifest wordt aanstaande dinsdag 9 december samen met ruim 150.000 petitie handtekeningen https://www.vvaa.nl/actueel/redvrijeartsenkeuze,  aangeboden aan de Eerste Kamer. De senatoren buigen zich komende weken als laatste over de toekomstige inrichting van de zorg, waarbij vooral het einde van de vrijeartsenkeuze tot maatschappelijke onrust leidt. Dinsdag 16 december zal uiteindelijk het besluit vallen.

Hoewel de minister stelt dat de zorgverzekeraars meer regie moeten krijgen omdat zorgverleners te veel de macht in handen hebben, blijkt in de praktijk eerder het tegenovergestelde het geval te zijn.
Met het einde van de vrijeartsenkeuze dreigt een belangrijke voorwaarde voor ons psychotherapeutisch werken in het gedrang te komen. De vrije matching tussen patiënt & psychotherapeut is nodig om een goede therapeutische relatie tot stand te brengen en draagt bij aan het resultaat van de psychotherapie.
Nu de regering van plan is zorgverzekeraars meer regie te geven in het inkopen van zorg, is dat niet alleen bedreigend voor de psychotherapie-praktijken die zonder contract met de zorgverzekeraars werken, maar ook voor de continuïteit van zorg door wel gecontracteerde zorgverleners.

In de contracteerronde voor komend jaar blijkt dat grote zorgverzekeraars als CZ, Achmea en Menzis fors snijden in psychotherapeutische zorg. Collega psychiaters schreven daar recent een artikel over naar de Volkskrant http://www.volkskrant.nl/opinie/psychische-stoornissen-zijn-duur-om-te-behandelen-maar-duurder-om-te-negeren~a3760976/.
Zo maximeert Menzis de behandelduur tot 1 jaar, vergoedt Achmea geen klinische psychotherapie meer en wil CZ alleen uitbetalen wanneer psychotherapie van tweemaal per week voor patiënten met een persoonlijkheidsstoornis in een multidisciplinair team gebeurt. Forse veranderingen kortom, die hoewel zorgverzekeraars claimen op kwaliteit in te kopen, daar weinig mee van doen hebben.

Ik wil u, leden van de NVPP, graag informeren over deze op handen zijnde ontwikkelingen in de zorg en oproepen om de petitie nog tot zondag te tekenen. https://www.vvaa.nl/actueel/redvrijeartsenkeuze

Ook kunt u de senatoren zelf laten weten wat u hiervan vindt door hen een bericht te sturen via  http://www.eerstekamer.nl/commissies/vws. De senatoren die het woord zullen voeren over dit onderwerp zijn: mw Dupuis (VVD), mw Beuving (PvdA), dhr Ganzevoort (Groen Links), mw Slagter (SP), dhr Kuiper (ChristenUnie), dhr Flierman (CDA), dhr Backer (D66), dhr Nagel (50+), dhr de Lange (OSF), dhr Koffeman (PvdD)

Ik wil u vragen uw stem te geven voor behoud van de vrije zorgverlenerskeuze, want alleen “een vrij man kan een goed geneesheer zijn”.

Cobie Groenendijk
psychiater/ psychoanalytisch psychotherapeut.
c.groenendijk@mentalmente.nl
of
Twitter: C_Groenendijk

PS Als u echt de smaak te pakken heeft, kunt u hier meer lezen over deze wetgeving, onder de noemer “Wet verbod verticale integratie) http://www.eerstekamer.nl/plenaire_vergadering/20141208_2