In en uit de spreekkamer

Bart Laps, GZ-psycholoog / psychoanalytisch psychotherapeut

Enerzijds bestaat mijn werk in de spreekkamer uit het proberen (niet) te begrijpen van wat patiënten vertellen, om zo een psychotherapeutisch proces op gang te brengen. Anderzijds merk ik vaak beter te begrijpen wat er in die spreekkamer gebeurt, wanneer ik er figuurlijk en soms ook letterlijk uit stap en vanuit een derde positie kan kijken. Bij voorkeur samen met enkele collega’s. Dat kan – voor de hand liggend – gaan over wat er in het contact met patiënten gebeurt, maar ook over de setting van mijn spreekkamer, en waar die zich bevindt in het grotere geheel van een organisatie met een geheel eigen dynamiek (een specialistische GGZ-instelling voor patiënten met ernstige persoonlijkheidsproblematiek). De titel van deze rubriek zou dan een verzoek kunnen zijn om af en toe ”uit de spreekkamer!” te komen en zich vanuit het psychoanalytisch gedachtegoed te laten horen in zaken die direct of indirect van invloed zijn op ons werk. Bijvoorbeeld… over de spreekkamer. Het valt me namelijk op hoe in GGZ-instellingen het economisch discours welig tiert, maar er steeds minder aandacht wordt geschonken aan dat onbetaalbare therapeutisch milieu en de architectuur (in brede zin) van de behandelsetting.

Ik denk regelmatig terug aan de colleges “Psychoanalytische Psychotherapie” tijdens de Licentiaatsjaren Psychologie (in hedendaags jargon “Master-jaren”) aan de K.U.Leuven door prof. S. Verhaest. Bij jonge psychologen in opleiding besteedde hij onverstoorbaar een aantal lesuren aan het gedetailleerd bestuderen van de spreekkamer. Wat staat er wel en wat staat er niet in? Wat is de temperatuur? Is de ruimte voldoende geluidsgeïsoleerd? etc. Die lessen hadden aanvankelijk een bevreemdend effect, maar misten hun doel bij de meeste studenten niet; we werden uit ons vertrouwde theoretische discours gehaald én we leerden nadenken over hoe àlles potentieel betekenisvol is.

Het werken in een GGZ-instelling betekent dat ik voor een deel zelf zeggenschap heb over de inrichting van “mijn” spreekkamer. De beeldjes, de boeken, de prenten aan de muur,… Ik vraag me af of zij iets bijdragen aan betekenisgeving van mijn werk. Bijvoorbeeld een oude getekende wereldkaart; een onvolkomen en tijdelijke weergave van een niet geheel te bevatten wereld, maar een verdienstelijke poging die uitnodigt tot verdere ontdekkingsreizen. Of een iets ludieker voorbeeld; op mijn bureau een miniatuurtje van de Ghostbusters-auto uit de gelijknamige film uit 1984. Van mijn zoontje gekregen. Psychoanalytisch therapeuten zijn toch ook een soort ghostbusters? (Het wetenschappelijk statuut voortdurend ter discussie, jagen op spoken waar niemand in wil geloven, maar die wel degelijk echt zijn, en waarvan men met schroom toegeeft er last van te hebben… en ook die spoken werden “contained”!)

Soms heb ik geen invloed op wat er met de spreekkamer gebeurt. Zo was er enkele jaren geleden de (gelukkig tijdelijke) verhuizing naar een kantoorpand. De muren waren kartonnen systeemwanden waarbij de stemmen uit de aanpalende spreekkamers hoorbaar waren. Wat dan meteen opvalt, is hoe de grenzen van de fysieke ruimte (niet) werken. De afgebakende ruimte van de spreekkamer is een veilige plaats waar alles binnen een vertrouwensrelatie gezegd kan worden. ”Het blijft binnen deze muren”, of niet? Een 38-jarige patiënte, bikkelhard manager maar vastgelopen in een desastreus liefdesleven met overheersende zelfzuchtige mannen, op dat moment reeds 2 jaar in een analytische therapie geëngageerd, zag ik steeds angstiger worden. In tegenstelling tot de vorige spreekkamer, beroerde deze setting herinneringen aan een agressieve vader en paranoïde moeder waarvoor ze nergens in het ouderlijk huis een veilige ruimte had. Er was geen bescherming tegen de intrusieve geluiden van een ouderlijk paar, vechtend of vrijend (of allebei) in de kamer naast de hare. En er was geen veilige afbakening van een eigen ruimte; kamers waren open want controleerbaar. Nog steeds vraag ik me af in welke mate deze fysieke ruimte verantwoordelijk was voor de daarop volgende stagnatie in de therapie, dan wel mijn eigen onvermogen om in die ruimte te functioneren. Ook ik merkte een bepaalde begrenzing te missen. Ik was in de nieuwe spreekkamer dan wel niet angstig, maar kon er evenmin de mentale rust en ruimte vinden die nodig is om dit werk te doen. En ook die onbeschikbaarheid van mijn kant, die verlating, heeft zij aangevoeld.

Er zijn voorbeelden waarbij ongelukkige veranderingen in de setting toch waardevol materiaal opleveren. Zo ontstond een lege plek aan de muur, toen in de organisatie het contract met de Kunstuitleen werd wegbezuinigd. Een jonge twintiger, aangemeld met angstklachten en somberheid, en remming in het sociale en relationele leven, begon plots hardop te fantaseren of haar schilderijen een plaats zouden kunnen krijgen op de lege plaats aan mijn muur. Fantasieën die wat grootser van aard waren, namelijk of haar werk ook op andere lege plaatsen in de instelling zou kunnen hangen, gingen dan weer gepaard met primitievere angsten over krenking (“wat als men het maar niks vindt?”) of van meer paranoïde aard (“namelijk of haar hele persoonlijkheid en problematiek open en bloot zichtbaar zou zijn”).

Vaak genoeg heb ik geen zeggenschap over wat er mijn spreekkamer, en bijgevolg de therapieën, binnenkomt. Er zijn genode en ongenode gaste van materiële en immateriële aard. Inherent aan het werken in een instelling is de intrede van elementen waar ik als psychoanalytisch therapeut niet spontaan voor zou kiezen. Materiële zaken zoals een alarmbelletje (Zijn mijn patiënten plots gevaarlijk? Of gaan ze zich door die alarmknop gevaarlijk voelen?), of immateriële zaken zoals administratieve richtlijnen of een nieuw bevreemdend jargon (bedrijf ik psychotherapie of lever ik een zorgproduct?). In een snel veranderende GGZ-omgeving met velerlei invloeden van buitenaf, zijn de grenzen van de spreekkamer en bijgevolg de therapie niet meer zo makkelijk af te bakenen. Dwars doorheen de stenen muren lopen telefoonlijnen en digitale snelwegen met internettoepassingen zoals e-health. Steeds meer willen andere partijen – anderen dan de patiënt(e) en ikzelf – de muren van de spreekkamer zo transparant mogelijk. (Op sommige plaatsen vertaalt het zich in spreekkamers met glazen wanden.) Een relatief recent voorbeeld zijn de door zorgverzekeraars opgelegde ROM-metingen. Zowel in de psychoanalytische opleiding als doorheen ervaringen met “storende geluiden” als hierboven beschreven, heb ik geleerd om (te proberen) alles wat binnenkomt te beschouwen als te bewerken ruwe materie. Zo tracht ik intrusies in de therapeutische ruimte niet te zien als kwalijke indringers, maar samen met de patiënt te kijken naar de betekenis van hun intrede. In het geval van ROM-metingen, werk ik in beperkte mate met wat de cijfers beweren te meten, maar probeer ik vooral samen met de patiënt te kijken naar wat dit fragmentarische spiegelbeeld voor hem of haar betekent.

Een dergelijke attitude helpt me om het gat – door het vreemde object in het psychoanalytisch weefsel geslagen – te overbruggen en het contact met de patiënt te behouden of te herstellen. En het confronteert me telkens weer met de noodzaak om over het binnen en het buiten van de therapeutische ruimte – het in en uit de spreekkamer – te blijven nadenken.

 

*casuïstiek is gefingeerd a.d.h.v. meerdere voorbeelden

Meer berichten uit de spreekkamer