Ik zit dus ik zie

Gerda Frijda, psychoanalytica en psychoanalytisch psychotherapeute, eigen praktijk in Den Haag

Toen ik veertig jaar geleden het analytisch veld betrad moest de NVPP nog opgericht worden.

In een analyse was toen, als in de dagen van Freud, een analyticus abstinent en onzichtbaar achter de sofa waarop de vrije associatie en de overdracht zich optimaal konden ontwikkelen; zonder realitycheck en zonder censuur. In de daarvan afgeleide psychoanalytische psychotherapie speelde de externe realiteit een grotere rol, en werd minder regressie gezocht. Consistent hiermee was de setting daarbij face-to-face. ‘De Bank’ was dus gekoppeld aan het niet-hebben van oogcontact, terwijl de zitter zijn therapeut kon zien. De basisaanname moet zijn geweest dat oogcontact veiliger voelt, en dat de zittende houding ook meer controle en autonomie meebrengt.

In de jaren dat ik opgeleid werd en praktijk ging doen nam de (metaforische) zichtbaarheid van de analyticus/therapeut toe, met meer aandacht voor de kwaliteit van zowel de primaire (ouderlijke) als de therapeutische relatie, en daarmee voor de dimensie van veiligheid. Doordat ik als psychoanalytisch psychotherapeute èn psychoanalytica een bank in mijn praktijkkamer heb, kan ik sommige therapiepatiënten de keuze laten tussen zitten of liggen. Ik wilde wat ervaringen met de beleving van oogcontact nagaan bij deze keuze.

Ik denk aan een bekwame, afgemeten vrouw. Zolang zij zich kon verschuilen achter haar verstand en een modisch uiterlijk kon niemand gissen hoezeer zij als kind verlaten was geweest en had gehunkerd naar het moment dat zij voor zichzelf een beter leven zou gaan maken. Met een talent voor aanpassing was dit maatschappelijk gelukt, maar zij strandde op intieme relaties: het verlangen dat dan werd aangesproken was te overweldigend, en zijzelf of de ander moest weggedaan. Het was bij haar aanmelding erop of eronder om haar eigen gevoelens weer te ontdekken en toe te eigenen, maar hoe kan dit met iemand samen als je je alleen een speelbal voelt in kwaadwillende handen?

Een psychoanalyse werd geïndiceerd, maar zij durfde niet te liggen. Er was al zoveel achter haar rug bekokstoofd. Face-to-face bleek in het begin even onverdraaglijk doordat zij mijn blik niet anders kon gebruiken dan voor speuren naar tekenen van afwijzing en bedrog, dat vervolgens met pleasen afgewend moest worden. Pas langzaamaan ervoer zij acceptatie en durfde ze te geloven dat ze van mij de tijd mocht nemen, en dat ik vooral geen schijn-vertrouwen wou afdwingen. Toen durfde ze te gaan liggen, zij het in lagere frequentie. Maar eerst had ze mijn blik als welwillend moeten ervaren en internaliseren, en dat was een heel proces.

Het omgekeerde traject doorliep een heetgebakerde “snelle jongen”, die al op de drempel vroeg om een analyse, en mij overspoelde met bewijzen van zijn vergevorderd inzicht. Binnen een maand liep hij vast, en moest zitten en mij zien. Een parallel diende zich aan: hij roemde zichzelf als minnaar die eigen genot opzij zette voor de vrouwtjes. De verrukking in hun ogen was de motor waarop hij liep, en net zo dacht hij mij met zijn analytische prestaties in vervoering te moeten brengen – maar daarvoor was wel een oogcontact nodig waarin hij dat kon aflezen. Hij heeft daarna een harde dobber gehad aan een weliswaar face-to-face contact, maar één waarin hij aangewezen was op het krijgen van eigen gevoelens.

Een bekende ervaring is om meer te gaan zeggen bij iemand die gaat liggen na een zittende therapie. Het lijkt dan nodig een weefsel te weven waarmee je de ander in de aanvankelijk grotere afstand op de bank, zonder de taal der ogen, toch kan blijven omvatten.

Het heeft me verrast dat relatief veel mannen liever liggen dan zitten. Ik heb hierover twee ideeën, met alle gevaar van generalisatie. Ten eerste denk ik dat zij zich in het dagelijks leven minder regressie en symbiose toestaan, en die in de “Lust ohne Schuld”-situatie van een therapie wel durven zoeken, en het meeste daarvan vinden op de bank. En dat daarnaast het oogcontact met een vrouw (ik ben een vrouw) snel de kritische moeder-overdracht of een erotische overdracht kan triggeren, die beide liever vermeden worden.

Is oogcontact nu inderdaad veiliger? Ik heb geen eenduidig antwoord gevonden, en denk dat het eerder van de samenstelling van de angst en van iemands angst-management afhangt.

Het is in feite een noodzaak – in het huidige politieke klimaat helaas zeer onder druk – om voor ieders angst de juist afgestemde therapievorm te creëren.

De vignetten zijn gecondenseerd uit diverse casuïstiek.

Meer berichten uit de spreekkamer