De hamamelis

Jos van Mosel, klinisch psycholoog, psychotherapeut, psychoanalyticus

zelfstandig gevestigd in Leiden en aan het Olympiaplein in Amsterdam

 

Het is november, koud en guur, zo’n dag waarop ik blij ben, dat ik ‘praktijk aan huis’ heb en de deur niet uit hoef. Ik sta voor het raam en kijk door het beregende raam naar de tuin die er winters kaal bij ligt. Daar bloeit de hamamelis. Dat de boom hamamelis heet, heb ik geleerd van Ada. Terwijl ik naar de boom kijk, herinner ik me haar. Het is nu anderhalf jaar geleden, dat we afscheid namen, na vierenhalf jaar samen gewerkt te hebben. Ada en de hamamelis zijn in mijn mind met elkaar verbonden.

Toen Ada voor het eerst kwam, was ze volkomen uitgeput. Als alleenstaande moeder was ze de eerst verantwoordelijke voor haar twee schoolgaande kinderen en door haar talent en ambitie gedreven werkte ze zich in een baan die veel van haar eiste over de kop. Ze ging gebukt onder veel lichamelijke klachten. Maar meer nog had ze last van altijd aanwezige angst en van verdriet dat haar bij vlagen overspoelde en dan maar niet over wilde gaan.

Ze was als kind vaak bruut behandeld. Door een vader die ze dat niet kwalijk mocht of kon nemen, want hij was immers als jong kind door de oorlog ernstig beschadigd. En nu waren vader en moeder oud en hulpbehoevend en wilde ze hun geen oude verwijten maken. Ze zat klem. Als moeder wist ze zich soms geen raad met boze gevoelens van haar kinderen en van zichzelf.

Ik luisterde naar haar en probeerde haar te begrijpen. Dat ging niet vanzelf. Want ze was ook voor mij bang. Ze vreesde door een uitgestoken hand geslagen te worden. Haar verlangen naar rust, troost en koestering ging hand in hand met angst voor vernedering en geweld. Achter mijn welwillendheid en begrip kon zo maar de sadist, de nazi te voorschijn komen.

Om kinderen te kunnen aanvoelen en begrijpen moeten we ons in ze inleven. Dat doen we onder meer door ons onze eigen ervaringen in herinnering te brengen. Als Ada dat deed, leverde dat confrontaties met pijnlijke en voor een kind niet te hanteren beelden op. Beelden die zich via vaders’ steeds weer herhaalde verhalen in haar hadden genesteld.

De oorlogservaringen die haar vader als kind hadden beschadigd hadden hem belemmerd om zijn kinderen aan te voelen en te begrijpen. Ada en ik hebben geprobeerd om een nieuwe ruimte te creëren, voor haar en daarmee indirect ook voor haar kinderen. We zochten naar manieren om de oorlog die haar in de greep had, te laten ophouden.

Gelukkig was Ada intelligent, een doorzetter en een overlever. Op een dag, toen we een paar jaar aan het werk waren, kwam ze binnen met rode konen van de kou en zei: ‘De hamamelis bloeit! Heb je het gezien?’ De hamamelis wordt ook wel toverhazelaar genoemd. Het is een struik die bestand is tegen sterk wisselende temperaturen en in de winter bloeit met kleurrijke bloesem waar soms de sneeuw op ligt. Als ze de ruimte krijgt, kan ze zo groot als een boom worden.

Ada vertelde erover. Ze wist veel van bloemen en planten. Het was een belangstelling die ze van haar moeder had meegekregen. In die gedeelde belangstelling voor de natuur had ze als kind en later als tiener soms psychisch kunnen schuilen.

Ik heb van tuinieren geen verstand, maar toen we verhuisden naar een tuin met een struik die in de winter bloesem vertoonde, wist ik van wanten.

Het was met Ada als met de hamamelis: onder barre omstandigheden had ze overleefd. Toen we het einde van onze werk naderden wisten we allebei, dat de ruimte die we in mijn spreekkamer tussen ons gemaakt hadden, nu in haar bestond en niet meer weg zou gaan. We hadden niks uit haar leven weg kunnen halen. De pijn niet, het verdriet niet, het gemis niet. Maar we hadden wel iets aan haar leven kunnen toevoegen: ruimte om te kunnen beleven, voelen en denken. We hebben die psychologische ruimte gemaakt door de kernelementen van het psychoanalytische: de vertrouwelijkheid, de grondregel van de vrije associatie en de emotionele beschikbaarheid van de therapeut.

In het begin was de spreekkamer, was onze relatie, een nis waar ze in kon schuilen, ja bijna een schuilkelder. Allengs werd het een plek waar ze kon oefenen met het beleven en uiten van gevoelens en behoeften. Ze was niet meer bang om iets te willen. En niet meer bang om iets níet te willen en zo nodig boos te worden.

En als de hamamelis bloeit is ze in mijn gedachten, in mijn psychische ruimte. Ze is er welkom.

 

Meer berichten uit de spreekkamer