foto-bij-column-hans-wiersema

Met stomheid geslagen…

Hans Wiersema, klinisch psycholoog, psychoanalytisch psychotherapeut

Vorig jaar meldde zich een 35 jarige juriste, gehuwd, moeder van twee kleuters en een lagere schoolkind, met chronische somberheidsklachten, het gevoel op alle fronten te kort te schieten, zeker als moeder. Verder zat ze met onverwerkte rouw over de dood van haar vader 2 ½ jaar geleden en met onvrede over haar relatie en haar werk. Eerdere pogingen om in therapie te gaan had ze beide keren na twee sessies afgebroken.

In de eerste twee intakesessies gaf ze een helder verslag van haar problemen en haar gezinsachtergrond, maar ik merkte achteraf dat ik tegen mijn gewoonte in naar geen enkel gevoel of emotionele wisselwerking had doorgevraagd. Dus bereidde ik me voor de derde intakezitting grondig voor, las al mijn aantekeningen door en schreef op wat ik wel snapte, maar wat niet voor me was gaan leven.

Maar meteen in die sessie overviel mij een overweldigend gevoel van stomheid. Ondanks de notities die ik voor me had liggen kon ik niets meer herinneren wat ik had willen doorvragen. Ik voelde me ridicuul en kwam in de verleiding om haar naar huis te sturen met een smoes dat ik door de griep niet helder kon denken, wat nog deels waar was ook. Maar dan zou ik meedoen in het vermijden van echt contact. Als ik dat niet wilde zat er maar één ding op: Openlijk er voor uitkomen hoe stom ik mij voelde dat ik niets meer wist om door te vragen en hoe onmachtig om haar te bereiken, ondanks mijn zorgvuldige voorbereiding van dit gesprek.

Met kloppend hart besloot ik om het toch maar te doen. Dit was niet bepaald wat ik mij destijds voorgesteld had toen ik had gelezen dat je  self-disclosure alleen zeer gedoseerd en in het belang van de patiënt mocht toepassen. Hier viel niets meer te doseren, zo overweldigend was het gevoel.

Prompt antwoordde ze tot mijn verbazing: “Ik durf me niet open te stellen en ben daarom ook afgehaakt bij de vorige therapeuten. Ik voel al twee dagen tegenzin tegen dit gesprek en wilde het afzeggen,  want ik had het gevoel dat ik helemaal niets te zeggen had. Je zou alleen maar ontdekken dat ik een slecht en stom persoon ben.”

We schoten allebei in de lach en ik zei: “Hetzelfde gevoel dus als ik daarnet over mezelf liet zien”.

En toen ze dat beaamde vulde ik aan: “Dat voelt als de diepste waarheid over je zelf, maar tegelijkertijd is er een deel van je dat hulp zoekt om van dat gevoel af te komen. Maar je schaamte is zo groot, dat je dit gevoel niet wilt laten zien, uit angst dat de ander ook zou ontdekken dat dit de diepste waarheid over jezelf zou zijn. Ik merk dat het deel van je dat hulp zoekt me ontroert. En dat is het deel van je waarmee ik kan samenwerken om het gevoel een slecht en stom persoon te zijn te overwinnen”.

We beseften beiden dat ze niet overtuigender op mij had kunnen overbrengen hoe stom zij zich voelde. En omdat ik mijn eigen intense gevoel van domheid en machteloosheid had opgebiecht, was haar nog onuitgesproken overtuiging dat ik wel op haar zou neerkijken ontkracht. Overigens zonder dat dit een bewuste strategie van mij was geweest. Ik had gewoon geen andere manier gezien om contact te maken.

Toen dit eenmaal gebeurd was kreeg ik ook weer ruimte om na te denken en besefte ik hoe sterk mijn projectieve identificatie met haar negatieve zelfbeeld was geweest. Het speelde zich echt allemaal in mij af. En tegelijk was het iets dat woordloos tussen ons was gebeurd.

Voor haar was dit gebeuren de reden om ditmaal de therapie niet na twee zittingen af te breken, maar er op te vertrouwen dat ze niet op haar domheid betrapt maar er in herkend zou worden.

Bevrijd van deze negatieve overdracht kon ze me als een bondgenoot ervaren, die ze deelgenoot kon maken van haar schaamte en zelfverachting.

Dat bleek al meteen het volgende moment, toen ze uit zichzelf opbiechtte dat ze vorige keer bij de vraag naar verslavingen uit schaamte verzuimd had te vermelden dat ze vanaf haar 13e wekelijks een joint gerookt had en tijdens haar studie tussen 20 en 25 jaar zelfs twee per dag. – “Om de pijn te verdoven?” –  “ Ja.”

In de therapie die hierop volgde konden haar identificatie met haar domme, rigide en agorafobische moeder, haar vergeefse hunkering naar erkenning door haar kortaangebonden vader, haar pijnlijke zelfverwijt niet genoeg van haar kinderen te houden en daardoor tegenover hen tekort te schieten,  evenals haar onmacht tegenover de verwijten van haar dominante man en van haar onredelijk kritische werkgever, zodanig besproken worden dat haar zelfverwijt plaats maakte voor zelf-compassie. Daardoor bouwde ze zoveel zelfvertrouwen op dat ze niet  alleen assertiever werd tegenover haar man, maar hem ook gelijk kon geven waar hij gelijk had. Ook kon ze meer van haar kinderen genieten. En verder vond ze een andere werkkring, waar ze van meet af aan gewaardeerd werd en die haar nieuwe ontplooiingskansen gaf.

Dit was voor haar de reden om na 19 therapiezittingen aan te geven dat ze wilde stoppen omdat ze voldoende bereikt had.

Dat ze zoveel in zo korte tijd wist te bereiken komt mijns inziens omdat de verdere therapie slechts een uitwerking was van de beslissende ommekeer die in het derde gesprek had plaatsgevonden; door mijn eerlijkheid over mijn onmacht waren we gelijkwaardig geworden, zodat ze daarna een optimaal gebruik van onze werkrelatie kon maken en zich met mijn compassie kon identificeren.

Zulke ‘moments of meeting’ (Daniël Stern) zijn onherhaalbaar, maar je kunt wel leren om je er voor open te stellen door bereid te zijn om je eerst zelf door de patiënt te laten raken.

Meer berichten uit de spreekkamer